Blog
De te verre stoel
“Zij heeft sinds enkele maanden een carcinoom vanuit haar darmen, met uitzaaiingen onder andere naar haar lever. De laatste dagen is ze regelmatig misselijk en braakt ze ook. Haar morfine heb ik omgezet naar morfinepleisters en de pijn is wat nu wat dragelijker. De primperan doet het niet goed. Heeft u een advies voor haar braken?” De huisarts aan de telefoon klinkt nog jong.
Bij navragen komen we tot de conclusie dat er waarschijnlijk sprake is van een verstopping van haar darmen. De huisarts zal haar nog gericht hier op onderzoeken en indien onze vermoedens kloppen starten met buscopan, bij voorkeur subcutaan, eventueel proberen met een pleister.
Enkele dagen later belt de huisarts weer. Mevrouw is zeker niet comfortabel, ze braakt nog regelmatig. Neen de buscopan heeft ze via een zetpil wel geprobeerd, maar ze kreeg er krampen door. Vreemd, past niet goed bij dit beeld. Ook heeft de 58-jarige vrouw veel last van dorst, ondanks regelmatig sprayen met vocht. Afgelopen weekeinde kreeg zij een verlamming van haar rechter arm, passend bij uitzaaiingen naar de hersenen. De weekeindarts was gestart met dexamethason. Ze vraagt nu om euthanasie, zo is het geen doen. De eigen huisarts is hier principieel tegen, maar ze heeft wel haar collega bereid gevonden de euthanasie te geven.
We besluiten om de vrouw de volgende dag samen thuis te bezoeken. Haar jonge dochter doet open. Haar moeder ligt in een hoog bed, dat geplaatst is tegen een van de muren in de huiskamer. Naast haar bed een verrijdbaar tafeltje met daarop alle medicijnen, een glas water, daar weer naast een grote salontafel, daar weer omheen een groot bankstel. Ze maakt een zieke indruk, is radeloos. Ze is misselijk, af en toe braakt ze, kleine beetjes, het ruikt niet goed. Bij onderzoek duidelijke tekenen van een verstopte darm, ook een forse schimmel van de tong. Ze kreeg krampen op de zetpillen, was daar niet mee doorgegaan.
Bij navraag blijkt ze echt naar het einde te verlangen. Ze huilt steeds, bij elke vraag, bij elke klacht die ze uit over haar lijden. De dochter staat op enkele meters afstand met grote ogen te kijken. Als ik haar vraag hoe het met haar gaat, knijpt ze – buiten zicht van haar moeder- steeds met haar mond en ogen. Haar vader werkt nog steeds, wil niet praten. Haar zusje woont buitenshuis. Komt wel, maar we praten niet.
Dan schuiven we het verrijdbare tafeltje weg, schuiven de zware en grote salontafel verder weg, zetten er een stoel van de eettafel voor in de plaats en we helpen de dochter naast haar moeder te gaan zitten. Ik vraag aan de dochter of ze wel eens huilt. Ja, in mijn eentje, op mijn kamer. Als ik haar suggereer de hand van haar moeder vast te pakken en elkaar aan te kijken, beginnen ze samen te huilen en zeggen ze lieve dingen tegen elkaar.
Terwijl wij de medicijnen doorspreken, valt ons op dat moeder en dochter gaandeweg rustiger worden. De moeder kan als wij weggaan ook spreken zonder te huilen. De dochter zit naast haar moeder.
De huisarts belt de volgende dag: “De stoel stond er nog en haar man blijft nu thuis”.
Frans Baar, oktober 2009
Reacties
-
jan nobel zegt:
Verzonden op: 02-11-2009 14:38
het weinige (inclusief de grote, zware salontafel) is veel, je laat het zien

Onderzoek
Onderwijs
Ontwikkeling