Verhaal

Spitsuren

Zelf ga ik vandaag van her naar der. Van in de stad naar de rand van de stad, naar terug naar het eerste verpleeghuis en een hospice, naar mijn eigen hospice en naar Leerhuizen en vandaar door naar het ziekenhuis.

Het is druk, ik voel druk, maar overal zijn er goede, bemoedigende ontmoetingen. In het ziekenhuis twee families, de een volgens de verpleging meer in verwarring dan de andere. De familie welke het meest in verwarring is, zou naar zeggen "gesplitst" zijn. De verpleging meldt me waarschuwend dat ze zo'n erge ruzie hadden gehad dat zelfs de bewaking zich er mee had moeten bemoeien. Als ik rond het bed van hun stervende moeder vraag wat ze wel niet hebben moeten meemaken, is er direct veel verdriet van haar oudste dochter.Ze voelt zich schuldig omdat ze eerst enkele uren had aangezien hoe haar moeder aan het hoesten was en gedacht had dat er een griepje speelde, totdat ze erger benauwd werd en ze na lang bellen en wachten de vraag van de waarnemende huisarts had gekregen: “Waarom heeft u niet eerder gebeld”? “Ik voel me zo schuldig, ik wist niet dat ze een hartinfarct had en dan ook nog zo’n groot”. Enkele meters verwijderd van het voeteneind staat een kleine iets jongere vrouw, zichterughoudend: “Let maar niet op mij, ik ben niet zo belangrijk”. “Maar wie bent u dan, wie was zij voor u”? “Zij was mijn andere moeder, zij nam mij over nadat mijn eigen moeder overleed, die heb ik niet gekend. Maar wat heb ik van deze moeder gehouden! Eigenlijk was zij mijn echte. Ja ik heb heel erg van haargehouden”. Na mijn uitleg over wat we zouden proberen te betekenen voor hun moeder, word ik bedankt, maar terwijl ik wil doorlopen naar mijn volgende patiënt, vraagt de kleinzoon die er ook bij is, mij aan mijn elleboog aanrakend, alsof hij mij wil meevoeren: “U moet ook meegaan naar de anderen dan kunnen ze het zelfde horen. Dat wilt u toch wel”? Het is een echte Rotterdam-zuid man, geen woorden maar daden. De andere helft zit verslagen in de familiekamer. Ze zijn met velen, zoon en dochter en aanhang en kleinzonen, veel kleinzonen. Ze willen begrijpen wat er speelt en wat wij doen, en je laat haar toch niet te lang lijden, he?

Dan naar de andere familie. Die zit dichter rond het bed van vader/opa/overgrootopa. Ze zijn dankbaar dat er na veel onrust door een injectie zoveel meer rust is gekomen. Ze zijn vol vertrouwen en hoop dat hij lijkt te gaan wegglijden. Ook dat de zuurstof welke veel lawaai maakt,verminderd en zelfs gestopt zal worden. Ze hadden hem de dag tevoren aangetroffen,buiten bewustzijn. “Ja zo kan dat gaan”, zegt deze dochter.

Via de drukke A16 rijd ik naar het derde verpleeghuis. Het is een groot huis waar mensen met een dementieel beeld wonen. De automatische deuren openen zich, ik moet wachten op de volgende deuren die opengaan na sluiting van de eerste. Kom in een ruime hal waar het een drukte van je welste is. Overal mensen, je kijkt in het bruine café waar velen samen rond gezellige tafels zitten te praten, aan het einde van een van de gangen zie ik een nog groter restaurant, nog meer mensen daar. En in de hal en de gangen veel mensen met een rollator, dwalend. Mensen gaan in en uit via de zelfde zich automatisch openende deuren. Medewerkers gaan naar huis, families komen en gaan. En daar isook de jonge vrouw die de receptioniste is. Ze begroet me, belt en meldt aan mijn collega dat ik gearriveerd ben, ze komt er zo aan. Er zijn meerdere telefoontjes en intussen trekt ze de ene na de andere patiënt die naar buiten wil wandelen terug de hal in, alles met het vriendelijkste gezicht. Ik kijk me alles aan en als mijn collega na een minuut of vijf arriveert, vraag ik de gastvrouw hoe zij heet: Ingeborg. Ik zeg haar dat ik met stijgende en stomme verbazing maar vooral bewondering heb staan kijken en genieten hoe zij haar werk doet. “Ja ik probeer mijn best te doen, maar ik weet niet of u het zag, maar het is zo moeilijk, steeds probeer ik de mensen aan te kijken, maar u merkt het nu ook, ik moet steeds ook om u heen kijken of ik iedereen echt wel zie, anders lopen ze zo weg in dit spitsuur”. Ik zeg haar dat ik me wel degelijk door haar gezien voelde en dat het een cadeautje is voor iedereen om door haar welkom geheten te worden.
Vol van eerbied voor haar zorgvuldigheid en menselijkheid neem ik afscheid en ga door naar het gesprek met mijn collega.

Als ik na een uur door ga naar het volgende is er weer de glimlach van Ingeborg. Er is minder verkeer in de hal, het spitsuur is over. Ze zit haar administratie bij te werken.

Niet alleen thuis is er menselijkheid, is er liefde, die zijn overal.

Frans Baar

2 februari 2017

Reacties

Er zijn nog geen reacties.

Reageer