background image
Handreiking voor de ontwikkeling, implementatie en verankering van palliatieve zorg in grote organisaties, juni 2013
24
Stap 2: Analyseer de feitelijke zorg en benoem concrete doelen voor verbetering

In stap twee kan een organisatie tekorten in de bestaande (eigen) zorgverlening signaleren en concrete en
meetbare doelen voor verbetering benoemen voor een programma palliatieve zorg. Het is van belang om
goed inzicht te hebben in de wijze waarop de zorg vůůr de invoering van dit programma wordt geleverd.
Vandaar dat in deze stap een analyse volgt van de praktijk met behulp van vragen als: Wordt er (op bepaalde
afdelingen) al palliatieve zorg geleverd? Op welke wijze gebeurt dat? Welke disciplines zijn hierbij betrokken en
wat zijn problemen of knelpunten? Van belang is dat de feedback en benchmarking motiveren en aanzetten
tot deelname aan het veranderingsproces.

Inhoudelijke aandachtspunten bij het in kaart brengen van de bestaande situatie
∑ Hoeveel patiŽnten overlijden er binnen de organisatie, op welke afdelingen, en na hoeveel dagen opname?
∑ Hoeveel patiŽnten met palliatieve zorgbehoeften zijn er in huis?
∑ Wat zijn veel voorkomende diagnoses bij deze patiŽnten?
∑ Zijn er goede en slechte praktijkvoorbeelden (sterfgevallen, andere casuÔstiek)?
∑ Hoeveel medewerkers zijn er geschoold op het gebied van palliatieve zorg?
∑ Hoe vaak vinden er gesprekken plaats met patiŽnten en hun naasten waarbij wordt aangegeven dat de
palliatieve fase is aangebroken (markeringsgesprekken)?
∑ Wat wordt er geregistreerd over palliatieve zorg? Is er sprake van systematische symptoomregistratie?
∑ Is er een medicatiebewakingssysteem waarin wordt vastgelegd welke medicatie voor palliatieve zorg
wordt gebruikt, en komt deze medicatie overeen met hetgeen wordt voorgeschreven in de literatuur?
∑ Welke protocollen zijn er en wordt hiermee gewerkt? (Bijvoorbeeld protocollen over oncologische pijn, het
voeren van een slechtnieuwsgesprek, palliatieve sedatie en euthanasie.)
∑ Worden er overdrachtformulieren ontvangen van en verstrekt aan ketenpartners voor patiŽnten in de
palliatieve fase?
∑ Is er sprake van (structurele) zorg voor de zorgenden?
∑ Welke structurele transmurale contacten zijn er binnen het netwerk palliatieve zorg en welke concrete
samenwerkingsafspraken zijn er, bijvoorbeeld over het verwijzen van patiŽnten?
∑ Hoe is de beeldvorming rond de palliatieve zorg binnen en buiten de organisatie? Vraag aan ketenpartners
hoe zij de samenwerking ervaring.
Aandachtspunten bij kwaliteitsmeting
∑ Vraag regelmatig aan patiŽnten persoonlijk hoe zij de zorg ervaren en of zij nog wensen hebben.
∑ Evalueer sterfgevallen om zicht te krijgen op de bestaande situatie.
∑ Gebruik gesprekken met nabestaanden, klachten en uitkomsten van enquÍtes voor kwaliteitsverbetering.
∑ Maak gebruik van `goede voorbeelden' en kwaliteitssystemen van andere organisaties. Blijf geÔnformeerd
via symposia, werkbezoeken bij collega organisaties en literatuurstudie.
∑ Voer een nulmeting uit. Hiermee is later het effect van de implementatie van het programma te monitoren.
Voor een nulmeting zijn noodzakelijk: valide indicatoren, een deugdelijke methode voor de verzameling van
gegevensen inzichtelijke en acceptabele vormen van feedback voor de doelgroep (veelal de medewerkers
die de palliatieve zorg leveren).
∑ Zorg voor specifieke methoden om gegevens vast te leggen voor een nulmeting, zoals een statusonderzoek,
het interviewen van patiŽnten en naasten (bijvoorbeeld met de Consumer Quality Index) en het enquÍteren
van medewerkers.