background image
Handreiking voor de ontwikkeling, implementatie en verankering van palliatieve zorg in grote organisaties, juni 2013
31
Stap 6: Evalueer (continu) het plan en stel het (indien nodig) bij

De laatste stap in het implementatieproces is het evalueren, bijstellen en borgen van het traject. De evaluatie
is geen eindstap. Idealiter wordt volgens de Plan-Do-Check-Act-cyclus (PDCA) gewerkt en is het goed om
regelmatig te evalueren of de organisatie op het goede spoor zit. Kijk of de in stap ťťn geformuleerde doelen
daadwerkelijk zijn gerealiseerd en of, en op welke wijze bijstelling nodig is. De nulmeting wordt in deze stap
herhaald om de voortgang te meten. Zoals opgemerkt bij stap twee kunnen kwaliteitssystemen en indicatoren
hierbij een belangrijke rol spelen. Bij deze stap hoort ook het borgen van de resultaten. Zorg voor verankering
van het programma palliatieve zorg binnen de structuur en processen van de organisatie en het jaarplan.

Aandachtspunten bij de evaluatie, bijstelling en borging van een programma palliatieve zorg

∑ Werk volgens de Plan-Do-Check-Act-cyclus (PDCA).

∑ Veranker de palliatieve zorg in de organisatiestructuur.

∑ Maak iemand uit het management blijvend verantwoordelijk voor de palliatieve zorg.

∑ Indien van toepassing: geef het Consultatief Palliatief Team (CPT) bevoegdheden om over de schouder van
de afdelingen mee te kijken en gevraagd en ongevraagd evaluatiebesprekingen te initiŽren.
∑ Stel prestatie-indicatoren op per afdeling/per specialisme. Maak afspraken over de bespreking van deze
uitkomsten. Gebruik een systeem van interne en zo mogelijk externe benchmarking.
∑ Maak palliatieve zorg een vast terugkerend onderdeel van het jaarplan en het jaarverslag.
∑ Laat audits uitvoeren die tot verbeterprogramma's op specifieke afdelingen kunnen leiden.
∑ Laat professionals van buitenaf meekijken, zodat iedereen van elkaar kan leren en elkaar positief-kritisch kan
bevragen.

Inhoudelijke aandachtspunten bij de evaluatie, bijstelling en borging van een programma
palliatieve zorg
∑ Vergelijk het aantal overlijdens door de jaren heen.
∑ Ga na wat de gemiddelde tijd was tussen opname en overlijden, en de variatie daarin.
∑ Houd bij hoeveel patiŽnten worden ontslagen met SIP 24, respectievelijk ZZP 10 .
∑ Ga na hoe snel na opname van palliatieve patiŽnten de huisarts door de behandelend arts geÔnformeerd is /
wordt over verloop en beleid.
∑ Ga na of observatieschalen (zoals DOS, REPOS, Lastmeter, HADS, et cetera) gebruikt worden.
∑ Meet dagelijks de symptoomlast per afdeling, signaleer of de symptoomlast snel genoeg daalt en of er
gevraagd, of ongevraagd een consult door het Consultatief Palliatief Team (CPT) heeft plaatsgevonden.
∑ Ga na hoe vaak het Zorgpad Palliatieve Zorg, dan wel het Zorgpad Stervensfase is gebruikt.
∑ Ga na hoe vaak het Consultatief Palliatief Team (CPT) is geconsulteerd (eenmalige en meervoudige consulten).
∑ Ga na hoe vaak na overlijden een evaluatiebespreking heeft plaatsgevonden. Betrek hierin of de
verantwoordelijke medewerkers van de afdelingen met de nabestaanden het proces hebben geŽvalueerd en
wat de leerpunten waren.
∑ Ga na of er ruimtes beschikbaar zijn gesteld aan naasten die willen waken.
∑ Ga na hoeveel nabestaanden nazorg ontvingen, of gericht werden verwezen naar de eigen huisarts.
∑ Ga na hoe vaak er behoefte was aan specifieke (na)zorg voor kinderen en kleinkinderen.
∑ Registreer hoeveel hulpverleners scholing hebben gevolgd.
∑ Controleer jaarlijks de folders palliatieve zorg en de nazorgfolders op actualiteit en op gebruik
(hoeveel werden er afgenomen/verspreid).